VROUWEN VAN DEVENTER
Deze editie van Kelderfest staat in het teken van Internationale Vrouwendag. Op zondag 8 maart vindt deze dag plaats en wordt stilgestaan bij de verworven rechten van vrouwen wereldwijd. Kelderfest geeft alvast een voorproefje met verhalen over vijf historische vrouwxn die sterk met Deventer zijn verbonden.
Aleida Budde
Johanna Aleida Budde (1800–1852), in het dagelijks leven Aleida genoemd, groeide op in een welgesteld gezin in Deventer. Als oudste dochter van koopman en later militair-intendant Hendrik Budde en Maria Margaretha Cost kreeg zij de vrijheid om haar artistieke talent te ontwikkelen. In 1823 verhuisde het gezin naar buitenhuis De Roobrug in Diepenveen, een plek die uitgroeide tot haar levenslange thuis en een belangrijke inspiratiebron.
Aleida kreeg teken- en schilderles van de gerenommeerde historieschilder Jan Willem Pieneman, wiens invloed zichtbaar is in haar zorgvuldig opgebouwde composities en technische precisie. Zij schilderde vooral portretten en genrestukken, meestal van familieleden en bekenden, maar maakte ook stillevens en landschappen, geïnspireerd door de omgeving rond De Roobrug en door reizen door Nederland en Duitsland. Tot haar meest gewaardeerde werken behoort het familieportret van Albertus Jacob Duymaer van Twist en Maria Johanna Beck, waarin figuren en interieur met grote aandacht zijn uitgewerkt.
Hoewel Aleida niet hoefde te schilderen voor haar inkomen was zij opvallend actief. Tussen 1830 en 1844 exposeerde zij regelmatig op de nationale tentoonstellingen van Levende Meesters en vanaf 1833 was zij lid van de Koninklijke Academie in Amsterdam. Haar werk bood zij zelden te koop aan, maar wanneer zij dat deed, vroeg zij hoge prijzen. Aleida bleef ongehuwd en woonde haar hele leven op De Roobrug, waar zij in 1852 overleed. Zij liet een omvangrijk oeuvre na en verwierf de bijnaam ‘penseelprinses’: een kunstenaar die onafhankelijk van de markt een zichtbare positie innam binnen de Nederlandse kunstwereld.
Tijdens Kelderfest wordt een van de werken van Aleida geëxposeerd in Museum De Waag.

lamme van diese
De weduwe Lambertha, bekend als Lamme van Diese, stichtte in 1388 haar eigen huis aan de Pontsteeg in Deventer, een vrouwenhuis dat zou uitgroeien tot het Lamme van Diesehuis. Op deze plek bood zij vrouwen de kans om samen te wonen volgens de idealen van het Gemene Leven: sober, vroom en zelfstandig. Het huis lag aan het huidige Lamme van Dieseplein en vormde een belangrijk alternatief voor vrouwen, met name weduwen, die elders niet welkom waren.
Onder Lammes leiding breidde het zusterhuis zich snel uit en groeide het uit tot een licht en ruim complex, waar vrouwen relatief comfortabel leefden. Het huis stond onder wereldlijk en kerkelijk toezicht, maar ontwikkelde vanaf 1392 een duidelijke band met de Moderne Devotie. Deze beweging stimuleerde persoonlijke geloofsbeleving, innerlijke vernieuwing en zelfredzaamheid door handwerk, en speelde een sleutelrol in de ontwikkeling van onderwijs en cultuur.
Bij het zusterhuis hoorde een kapel gewijd aan Sint Caecilia, waarvan nog resten bewaard zijn gebleven. Het Lamme van Diesehuis werd beroemd als de plek waar het Deventer Liedboek werd geschreven. De spreuk ‘Wat moet ik, dat doe ik’ op de buitenmuur vat de geest van de gemeenschap treffend samen. Het verhaal van Lamme van Diese laat zien hoe één vrouw met visie en overtuiging blijvende invloed kon uitoefenen op religieus, sociaal en cultureel leven in middeleeuws Deventer.
Voor Kelderfest gaat zangeres en woordkunstenaar Vera Bon in residentie om nieuw werk te creëren op basis van het verhaal van Lamme van Diese. Het gemaakte werk zal Vera presenteren tijdens Kelderfest in de kelder van Museum Geert Groote Huis.

RABINA
Rabina (1844–1912) werd geboren op Java als dochter van Madurese ouders en trouwde in 1873 met George Birnie, eigenaar van een landbouwonderneming in toenmalig Nederlands-Indië. Zij speelde een belangrijke rol in het familiebedrijf dankzij haar kennis van taal en cultuur. In 1875 vertrok zij met haar man naar Europa, een ingrijpende overgang van Java naar Deventer.
Na een periode in Italië vestigde het gezin zich in 1880 in een statig huis aan de Brink. Rabina kreeg acht of negen kinderen en leidde een leven dat zich deels binnen de muren van het huis afspeelde. Ze behield haar culturele identiteit: ze droeg een sarong en kebaja en kookte in een voor haar ontworpen keuken. Daarmee bracht zij zichtbaar en tastbaar een stuk eigen cultuur Java naar Deventer.
Officiële documenten noemen haar bij haar overlijden ‘inlandsche vrouw’, en haar naam verschijnt niet altijd volledig in archieven. Toch vertellen familieverhalen en beelden een rijker verhaal: dat van een vrouw die tussen twee werelden leefde en een brug sloeg tussen culturen. Rabina’s leven roept vragen op over identiteit, erkenning en zichtbaarheid, en maakt nieuwsgierig naar de vrouw achter de naam.
Tijdens Kelderfest wordt het verhaal van Rabina vertoond in de kelder van de oude bibliotheek, naast het huis waar Rabina woonde. In dezelfde kelder vertonen we een speciaal optreden waar binnenkort meer over wordt gedeeld.

Titia van der Tuuk
Titia van der Tuuk (1854–1939) was schrijfster, vertaler, docent en een uitgesproken stem in het vroege feminisme. Ze werd geboren in ’t Zandt (Groningen) als dochter van predikant Nicolaus van der Tuuk en kinderboekenschrijfster Petronella Helena Clasina Lenting. Ze groeide op in de pastorie van Nieuwolda, in een intellectueel en relatief vrijzinnig milieu. Ondanks een aangeboren mankheid leidde zij er een energiek en eigenzinnig bestaan. Na het overlijden van haar vader verhuisde het gezin naar Groningen, waar Titia werd opgeleid tot onderwijzeres. Ze behaalde bovendien, grotendeels via zelfstudie, meerdere MO-aktes, een uitzonderlijke prestatie voor een vrouw in die tijd.
Haar loopbaan in het onderwijs bracht haar via Borculo en Baarn uiteindelijk naar Deventer. Daar gaf zij les aan de meisjes-ulo aan de Assenstraat, tegenover het Rondeel. In 1882 nam zij ontslag. Haar slechthorendheid speelde een rol, maar doorslaggevend was haar groeiende overtuiging dat zij als vrijdenker en lid van de vereniging De Dageraad in het onderwijs werd achtergesteld. Titia had zich inmiddels ontwikkeld tot atheïst en raakte via De Dageraad in contact met vooruitstrevende denkers en activisten als Aletta Jacobs, Carel Victor Gerritsen en Elise Haighton. In deze kring vond zij haar feministische stem.
In 1882 hekelde zij in het tijdschrift Olympia de “gebreken in de opvoeding der vrouw”. Een jaar later was zij, samen met Aletta Jacobs en Elise Haighton, betrokken bij de eerste vrouwenkiesrechtactie in Nederland. Hoewel deze actie leidde tot een wetswijziging die het kiesrecht expliciet tot mannen beperkte, betekende dit voor Van der Tuuk geen terugslag maar een aansporing. Ze bleef zich onvermoeibaar inzetten voor vrouwenkiesrecht, werd redactielid en later bestuurslid van De Dageraad en sloot zich in 1894 direct aan bij de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Jarenlang trok zij als propagandiste door het land om lezingen te geven.
Na haar vertrek uit het onderwijs koos Titia bewust voor het schrijverschap. Ze begon met kinderboeken, sprookjes, gedichten, toneelstukken en vertalingen en bouwde daarin een succesvol oeuvre op. Gaandeweg verbreedde zij haar werkterrein en sprak zij zich expliciet uit over vrouwelijke seksualiteit, de dubbele moraal en de maatschappelijke positie van vrouwen. Ze gaf talrijke lezingen tegen de reglementering van prostitutie en pleitte voor seksuele hervorming.
Rond 1900 sloot zij zich aan bij de Rein Leven-beweging, een radicale voorhoede van seksuele en maatschappelijke vernieuwing. Deze Tolstojaans-anarchistische kring propageerde een moraal waarin liefde vrij moest zijn van dwang en bezit, ongeacht sekse. Titia leefde volgens deze principes: vegetarisch, geheelonthouder, met dagelijkse lichaamsoefeningen, koude baden en zonnebaden, bij voorkeur in coöperatieve woonvormen. Vanaf 1897 woonde zij samen met haar partner Rose Roosegaarde Bisschop, met wie zij op verschillende plaatsen in Nederland een bestaan opbouwde.
Titia van der Tuuk overleed op 7 mei 1939 in Zeist. Als overtuigd vrijdenker en lid van de Vereeniging voor Vrijwillige Lijkverbranding werd zij gecremeerd in Westerveld, een laatste, bewuste keuze in een leven dat in het teken stond van autonomie. Haar levensverhaal laat een vrouw zien die maatschappelijke grenzen niet alleen bekritiseerde, maar actief verlegde. Ze was docent, schrijver, vrijdenker, feminist en pionier in seksuele hervorming en daarmee een van de meest vooruitstrevende stemmen van haar tijd.
Tijdens Kelderfest wordt het verhaal van Titia tentoongesteld in het beeldende kunst programma.

Catharina Simons en Metien Jacobs
In de zeventiende en vroege achttiende eeuw betraden twee vrouwen in en rond Deventer het publieke domein op een manier die hun tijd ver vooruit was. Catharina Simons en Metien Jacobs kozen er, ieder op hun eigen manier, voor om als man te leven en te werken. Hun levens laten zien hoe dun de scheidslijn kon zijn tussen bewondering en veroordeling wanneer vrouwen bestaande gendergrenzen overschreden.
Catharina Simons maakte begin zeventiende eeuw naam als vakvrouw en militair. Rond 1615 werkte zij mee aan de restauratie van de Vispoort in Deventer. Zij had zich als man vermomd en diende onder de naam Simon Porta in de compagnie van hopman Jacob van den Eynde. Haar loopbaan was opmerkelijk veelzijdig: ze werkte als schoenlapper, werd steenhouwer en ontwikkelde zich tot een bekwaam bouwvakker. Zowel bij de Vispoort in Deventer als later bij de bouw van een kerk in Rees toonde zij haar vakmanschap.
Haar militaire ambities bleven onverminderd groot. Tot aan haar dood in 1625 bleef zij in dienst. Pas na haar overlijden werd ontdekt dat zij biologisch een vrouw was. Wat volgde is uitzonderlijk: geen schandaal, maar eerherstel. Catharina werd met militaire eer begraven in de kerk waaraan zij zelf had meegebouwd. Het stadsbestuur van Rees liep mee in de stoet en haar graf werd gemarkeerd met een kostbare steen met inscriptie. In haar geval leidde het doorbreken van genderrollen niet tot uitsluiting, maar tot publieke erkenning.
Heel anders verliep het leven van Metien Jacobs, ongeveer een eeuw later. Rond 1700 werd zij in Deventer gevangengezet op beschuldiging van een ‘onbetamelijk en ergerlijk leven’. Geboren in Amsterdam, had zij zich als man gekleed, haar naam veranderd in Nicolaes Heermink en was zij in de Grote Kerk getrouwd met Aaltien Theunissen, met wie zij zeven jaar als echtpaar samenleefde. Waar Catharina’s vermomming pas na haar dood werd ontdekt, werd Metiens leven tijdens haar bestaan ontmaskerd.
De autoriteiten oordeelden hard. Haar huwelijk werd beschouwd als strijdig met goddelijke, natuurlijke en burgerlijke wetten. In 1700 werd zij publiekelijk gegeseld, op het schavot in mannenkleding tentoongesteld en vervolgens in vrouwenkleding gestoken. Daarna volgde verbanning uit stad en provincie, met een levenslang verbod op terugkeer. Het officiële vonnis spreekt van ‘een ongehoord en verfoeilijk feit’, woorden die duidelijk maken hoe bedreigend men haar keuze vond.
De verhalen van Catharina Simons en Metien Jacobs tonen twee mogelijke reacties op het verleggen van gender in de vroegmoderne tijd. De één werd na haar dood geëerd als een ‘Amazone’, de ander werd tijdens haar leven vernederd en verbannen. Samen maken zij zichtbaar hoe sterk maatschappelijke normen rondom sekse en identiteit waren, en hoeveel moed het vergde om daarbuiten te leven.
